Een ode aan Ennio Morricone

Eindelijk was hij daar; de dag die nooit zou komen.

De zinderende zon brandde op zijn hoed. Het deed hem niets. Langzaam steeg hij van paard. Het was een futiele handeling. Alles draaide om de op handen zijnde confrontatie.

Door het raam keek hij neer op de bijna verlaten straat. Tegen alle verwachting in was hij toch gekomen. Wekenlang had hij gewacht. Er waren momenten geweest dat de twijfel aan hem was gaan knagen. Toch weerhield het volste vertrouwen in de haat die hij had gezaaid hem om weg te gaan.

Zou hij nog moeten zoeken? Het bleek een complexe vraag. Hij had er te lang naar toe geleefd om de ontmoeting verder uit te stellen. Tegelijkertijd wist hij dat de verschijning van de ander het einde van zijn levensdoel of zijn leven zou betekenen. Stuurloos tuurde hij de lege straat af.

Waar hoopte hij op? Wilde hij terecht worden gesteld voor zijn zonden? Zou hij met de door hemzelf opgewekte Nemesis van zijn demonen kunnen afrekenen? Wat het ook was, hij ging naar beneden en stapte naar buiten.

De stoffige straat was leeg op twee mannen na. Ongeveer twintig meter besloeg de afstand tussen beiden. Intiemer had het niet kunnen zijn. Ze zouden elkaar genezen; van elkaars lijden of verleden.

Ogenblikken lang stond de wereld stil.

Plots grepen de opponenten naar de peacemaker in hun holster. Vliegensvlug richten ze hun revolver op elkaar en vuurden. Twee kogels vlogen door de lucht. Eén miste zijn doel.

Onwennig stond hij met zijn wapen nog voor zich uit gericht. Zijn zoektocht was nu klaar. Opeens raakte het besef hem als een klap in zijn gezicht. Het was tijd om verder reizen. Achter de horizon wachtte een nieuwe queeste. Nog nooit had hij zich zo bewust van zichzelf in het zadel gehesen.

 

 

Social Share Toolbar

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *