Lighten Up, Fred!

Denk je aan Fred Wesley, dan denk je onmiddellijk aan de klassieke funkplaten van James Brown met de karakteristieke trombonesolo´s, doorgaans ingeleid door de Godfather of Soul die Hit Me, Fred schreeuwt.

fredwesley2En daar zit nou net het probleem van Fred Wesley. De in Mobile, Alabama opgegroeide trombonist wilde namelijk helemaal geen rhythym & blues of soul, laat staan funk spelen. Opgegroeid met een vader die pianist in een jazz bigband was, ambieerde Fred al van jongs af aan een carrière in jazz. In bebop om precies te zijn. In de eerste hoofdstukken, die eigenlijk de leukste zijn, beschrijft Wesley hoe hij Mobile ontvluchtte en de eerste ervaring als beroepsmuzikant opdeed bij onder andere Ike & Tina Turner en Hank Ballard. Drank, drugs en vooral rondhangen in de hoop aan het einde van de week betaald te worden. Ondertussen blijft Wesley uitkijken naar een jazz gig, maar uiteindelijk komt hij terecht bij de James Brown Revue.

Blijft na het lezen van The One, de prachtige biografie van James Brown, de vraag wat de hoofdpersoon eigenlijk van muziek van anderen vond, Fred geeft vaak en ongezouten zijn mening. En dan blijkt dat hij James Brown een geweldige performer vindt, maar de muziek waardeloos. Cold Sweat bijvoorbeeld is in zijn ogen muzikaal gewoon slecht en geliefde funkplaten van de JB´s, zoals Gimme Some More en Pass The Peas worden weggezet als silly shit.

Daarnaast is Mr. Brown natuurlijk een ontzettende vervelende werkgever. Hit Me, Fred staat vol anekdotes over hoe hij zijn bandleider Wesley en de overige muzikanten oplicht, aan het lijntje houdt en manipuleert. In 1975 heeft Wesley er genoeg van en stapt hij over naar de waanzin van Bootsy Collins´ Rubber Band en P-Funk. Van het strikte regime van Brown naar de vrolijke chaos van het funkcollectief rond George Clinton, het verschil kon natuurlijk niet groter zijn. Als  Wesley ook hier weinig overhoudt aan zijn significante bijdragen aan wereldberoemde albums als Mothership Connection, stapt hij alsnog over naar de zo gewenste jazz gig bij Count Basie.

Dat betaalt slecht en dus duurt dit avontuur maar een jaar, waarna er magere jaren van mislukte solo-albums, drugsgebruik en anoniem studiowerk volgen. Ironisch genoeg blijkt de James Brown-funk de redding als hij zich eind jaren ´80 aansluit bij een andere funkveteraan, Maceo Parker. Er volgt een live show rond nummers die Wesley vervelend en saai vind, maar die met Parker en een andere oud-bandleider van James Brown, Alfred ‘Pee Wee’ Ellis meer geld opleveren dan hij ooit verdiend heeft.

De laatste jaren leveren minder spannende verhalen op, maar bevestigen het beeld van een man die zijn leven liever anders zien verlopen, die vindt dat hij miskend en misbruikt is en nogal zuur commentaar levert op ´sterren´. Is het commentaar op het uiterlijk van Brown, Micheal Jackson en Little Richard aanvankelijk best grappig, in het slothoofdstuk Star Time wordt de toon ronduit bitter. Waarom worden mensen die niet kunnen zingen als Otis Redding beroemd en hij, een unieke trombonist en producer niet? Fred snapt het wel, het gaat om hoeveel je er over hebt om de aandacht te krijgen. Vervelende mensen eigenlijk, sterren. Ach, gelukkig weet Wesley dat het niet aan zijn talenten ligt: I know that I’m the best in all the hings  do.

Jammer dat het zo eindigt en dat hij zo snobistisch is over de muziek die hem wereldberoemd heeft gemaakt. Dat is vermoedelijk wel anders bij Maceo Parker, wiens autobiografie 98% Funky Stuff, My Life In Music in februari uitkomt.

Social Share Toolbar

Leave a Reply

Your email address will not be published.