Marc Carroll’s eclectiek

Een vriend van mij – jazz-fan, pianist – vindt blues heerlijk, maar ‘op een gegeven moment wordt het saai’. Een stelling waar we ooit een nacht lang steeds luider over ruzieden, tot we uit de plaatselijke jazzkroeg werden gegooid vanwege uit de hand gelopen dronkenschap. Sindsdien is zijn uitspraak over de blues een geaccepteerde categorie in de evaluatie van (nieuwe) muziek. Lekker, maar dan voorspelbaar. Tijd voor wat anders.

De kunst is dus om net daarvóór te stoppen – op het moment dat ‘het’ dus nog lekker is. En daarin slaagt Marc Carroll bijzonder wel in. Zijn melancholie heeft de neiging te gaan vervelen, maar precies op het juiste moment stoppen ze en blijkt het volgende ‘plaatje’ een nieuwe ontdekking. Deze man kan niet alleen zingen – hij kan ook arrangeren. En dat deed hij tot voor kort vooral in het Verenigd Koninkrijk.

Dat de verveling bij Carroll niet toeslaat, komt door zijn eclectische aanpak. Hij combineert swamp blues moeiteloos met U2-achtige gitaar licks, gecombineerd met onvervalste folk-violen (een beschrijving van Noboby, No Nothin). Hij is niet vies van het citeren van contemporaine singer songwriters; het intro van They’ll Never Find Us kan zo van The Tallest Man on Earth zijn, de tweede (vrouwen)stem heeft-ie natuurlijk afgekeken van Ryan Adams Oh My Sweet Carolina.

Er zijn bijna geen algemene uitspraken te doen over deze plaat. If Only To Remind Her (het derde nummer op de plaat) is qua stem Dylaneskwat band bezetting betreft The Band, er zit een The Kink-riedel in. De vergelijkingen dringen zich zo vreselijk op. Zonder te vervelen. Daarvoor is Carroll muzikaler dan de blues. Hoewel hij die blues helemaal niet verlaat. Veel dieper in de modder kan je niet staan, lijkt het. Ik ben benieuwd hoe hij live klinkt. Op plaat een dikke 9. <<

Social Share Toolbar

Leave a Reply

Your email address will not be published.